Serafyn & Rover

Het verhaal (in wording) van Serafijn, een verlegen meisje zonder stem, en Rover, die haar komt schaken (door Nele Plevoets):
 

De wind speelt met Serafijns haren. Laat me, murmelt ze in gedachten. 

‘Word wakker.’

Ga weg. 

‘Sta op, slaapkop.’

Het was moeder in die droom, Serafijn weet het bijna zeker. Ze zucht. De wind zucht terug.

‘Je weet toch welke dag het is?’ De wind praat tegen haar. Of liever, hij stopt niet met praten. Meestal vindt ze dat prima.

Ik had haar bijna, kaatst ze naar hem.

‘Volgende keer misschien.’ De wind strijkt langs haar wang. ‘Kom op, eruit.’

 

‘Voorzichtig.’

Ja-ha. Ze zwaait zijn bezorgdheid weg. Ze klemt haar handen tegen de kanten, haar voeten in de hoeken van het raamgat. Zo ver mogelijk leunt ze naar buiten. Vlak onder haar ligt het stadsplein aan de voet van de klokkentoren. 

‘Niemand kijkt ooit eens omhoog.’

Als ik kon, zou ik roepen. Zodat iemand, iedereen me zou horen. Hier zit ik, of zoiets. Ze ploft neer in het raamgat.

‘Maar een stem heb je niet. Nooit gehad? Of ooit gestolen? Wie zal het zeggen.’

Als jij eens kon zwijgen! Toch glimlacht ze erbij.

 

‘Zoek me maar,’ klinkt het van ergens beneden in de toren.

Serafijn holt naar het gat in de vloer. Na de eerste treden van de trap zonder houvast, volgen haar vingers de voegen tussen de stenen.

‘Pak me dan als je kan.’

We spelen verstoppertje, toch? Ze rolt met haar ogen. Ze daalt de trap verder af en het wordt donkerder. Ze blijft af en toe staan om haar ogen te laten wennen aan het halfduister en te luisteren. Hij houdt zich niet te geloven stil. Ze is bijna beneden. Wie niet weg is, is gezien!

‘Je vindt me lekker toch niet,’ loeit de wind hoog in de toren.

Ze zucht. En weer weg is ie.

‘Joehoe.’

Ze is al op weg naar boven. 

 

Zo struikelt de dag voorbij en valt de avond. Serafijn zit onderaan de trap uit te hijgen. Vandaag heb je me wel doen rennen, zeg.

‘Ben je moe?’

Doodop.

‘Mooi zo.’

Waarom?

‘Dan heb je er vanavond geen last van.’

Waarvan?

‘Weet je nou nog niet welke dag het is?’

Voor Serafijn antwoorden kan, klinkt er een bons op de deur. Haar adem hapert. De gietijzeren klink komt naar beneden, een twee drie keer. Haar hart vergeet te slaan. Een ademloze, harteloze tel lang gebeurt er niets. Ze ademt zwaar uit tot… gemorrel in het slot, dan een klik. 

Weer een bons, een twee drie keer steeds luider. De scharnieren piepen, telkens een toontje lager. De deur kraakt alsof het hout vloekt. De deur gaat open, denkt-gilt ze naar de wind. Door de kier waait een spook binnen.

 

Het maanlicht doet het spook oplichten. Hij lijkt een ster, gevallen op de vloer van de klokkentoren. De lucht rond hem trilt. Het spook draait langzaam rond. Serafijn schrikt van een geklapper. Zijn blik schiet naar haar. Hij heeft geen ogen maar zwarte gaten. Ze knijpt de hare dicht en duwt een vuist in haar mond. Haar tanden stoppen met klapperen. Ga weg, duwt ze haar gedachten naar het spook.

 

Voetstappen schuifelen de trap op. Hij is op weg naar boven. Haar keel zit dicht. 

Plots snakt de klokkentoren naar adem. Ze hoort iets de trap afduikelen. Dan stilte, doodse stilte. Alle geluid op de hele wereld lijkt uitgestorven.

Serafijn staart naar de trap. Haar hart bonkt in haar borst, hamert op ga kijken.

 

 Daar ligt hij. Serafijn ziet een helft van het spook, het stuk waarop een dunne streep maanlicht valt. Twee benen steken onder een wit laken uit. De andere helft ligt in de schaduw, ze heeft zo geen idee of het alsof-spook nog leeft.

Ze komt dichterbij. Haar hand trilt. Voorzichtig trekt ze aan het laken. Hij ligt erop. Ze moet nog dichterbij. Met haar voeten aan weerskanten van zijn benen hangt ze over hem en stroopt het laken op. Een gezicht komt tevoorschijn vlakbij het hare. Een mond gaapt wijdopen in een stille schreeuw. Twee ogen, zo groot als pannetjes, staren. Serafijn begint te gillen, geluidloos.

 

Dan stopt het alsof-spook met alsof-gillen. Hij klapt zijn mond dicht, knijpt zijn ogen tot spleetjes. Serafijn doet hetzelfde. Het is een jongen, ongeveer net zo oud als zij. Hij zit vast. Zij zit vast. Hij zegt niets, heeft waarschijnlijk zijn woorden voor vannacht al opgebruikt. Zij zegt ook niets, tja. 

Hij probeert recht te staan. Zijn gezicht vertrekt en hij valt terug. Serafijn steekt haar hand uit. Hij knippert met zijn ogen, knikt kort en schuift zijn hand in de hare. Ze leunt achteruit terwijl hij zich optrekt. Het lukt, bijna. Ze steekt ook haar andere hand bij. Zo komen ze oog in oog te staan. 

Hij opent zijn mond een paar keer. Ze glimlacht. Dat gehap ziet er niet uit. Hij glimlacht terug. Ze voelt iets diep in haar buik. Ze wordt toch niet ziek? Wat sta je daar zo, naar me te staren? Hij reageert niet, knippert niet eens. Het is beter dat je gaat. Ze friemelt haar handen los. Hij laat het toe en houdt de leegte nog even vast. 

Hij kijkt haar aan en zegt: ‘Hallo, ik ben Rover.’

 

‘Hoe heet jij,’ vraagt Rover.

Ze haalt haar schouders op. 

‘Waarom zeg je niets?’

Ze bijt op haar lip.

‘Woon je hier?’

Ze knikt en kan niet vermijden dat haar onderlip even trilt.

‘Alleen?’

Ze slikt iets weg. Ja. Neen. Misschien. Ik woon hier met de wind.

‘Maar, hoe dan? De toren zat op slot tot ik…’

Ze probeert te glimlachen maar het lukt haar niet. Rover wordt er stil van, eindelijk. Zo zitten ze bij elkaar, zwijgend. 

‘Waarom heb je nooit om hulp geroepen?’ Rover kijkt haar niet aan, staart voor zich uit. ‘Omdat je dat niet kan, hè? Je hebt geen stem.’

De tranen kruipen over haar wangen. Gelukkig is het nacht, dus misschien ziet hij het niet. Zijn hand schuift in de hare en knijpt zachtjes.

 

Ze hebben allebei de ene hand op een kant van het raamgat, hun andere hand ligt tussen hen in. Rover knijpt weer in de hare en hun handen blijven zo liggen. Hun benen bungelen uit het raam, in hetzelfde ritme. Serafijn vindt het heerlijk om zo te zitten. 

    ‘Kan je geen enkel geluid maken?’

    Ze schudt haar hoofd.

    ‘Hoesten?’ Hij hoest alsof. ‘Uhu, uhu.’

Ze doet hem na, met haar mond halfopen en haar tong over haar onderlip, zonder geluid.

‘Niezen?’ Hij niest alsof. ‘Hatsjoe.’

Ze probeert het, strekt haar gezicht eerst uit en knijpt het dan ineen, zonder klank. 

‘Geeuwen misschien?’ Hij spert zijn mond open en opeens trekt een onzichtbaar 

touwtje zijn kin nog naar beneden en zijn ogen tot spleetjes. ‘Aargh.’

Ze geeuwt spontaan mee, maar het blijft stil. Ze trekt haar mondhoeken naar beneden. Hij stoot haar aan en glimlacht. Ze kijken naar een uil die terugkomt van zijn nachtelijke rooftocht. Serafijn zwaait naar de uil. Die roept oehoe terug en nestelt zich in de nok van de toren. Rovers glimlach reikt bijna tot aan zijn oren.

‘Kun je fluiten?’

 

Hij tuit zijn lippen. Haar ogen worden groot, dan sluit ze die vlug. Zijn adem streelt haar wang. Voelt hij haar hand zweten? Er komt geen kus, wel zachtjes en steeds luider een fluittoon. Ze opent haar ogen en Rovers lippen zijn vlakbij. Hij fluit. Haar mond zakt open. Hij lacht, een rare hikkende lach, en geeft haar een duwtje. 

‘Probeer het ook eens.’

Daar gaat Rover weer. Ze leunt naar voren om het beter te zien. Ze tuit haar lippen precies zoals hij. Nu worden zijn ogen groot en zijn gefluit gaat de hoogte in. 

Ze sluit haar ogen en haalt diep adem. Uit haar getuite lippen komt betoverende muziek. Een lied voor de maan, voor de bomen, voor de vogels.

‘Wauw! Wat kan jij fluiten, zeg,’ roept Rover uit.

Ze gooit haar armen in de lucht en juicht zonder klank. Zijn ene hand in de hare juicht mee.  

 

Serafijn fluit opnieuw. Van ergens komt er een snerptoon terug. Rovers ogen worden groot.

‘Dat zijn mijn vrienden. Die staan nog beneden, buiten,’ stamelt hij. ‘Zullen we hen roepen?’

Ze wijst boos naar haar keel. 

‘Ik bedoel, fluiten.’

Hij staat op, spreidt zijn benen in het raamgat, houdt zich stevig vast en leunt naar voren. Serafijn kijkt onder zijn arm mee. Hij zwaait naar de stippen aan de voet van de toren. Niemand zwaait terug.

‘Je moet zo hard fluiten als je kunt, anders horen ze ons nooit,’ roept Rover in haar oor. ‘Met al die wind!’

Rover heeft gelijk. De wind draait om hen heen, trekt aan Rovers spokenkleed en zwiept Serafijns haren alle kanten op. Hij is terug. Gulzig zuigt ze de lucht op en blaast haar wonderlijke lied. De wind draagt het over straten en daken. Ze tovert een lach bij wie nog wakker is en kietelt de dromen van wie al slaapt. Nooit heeft ze de wind kunnen vangen, al die tijd was hij bij haar. 

Ze kijkt Rover met fonkelende ogen aan. Hij heeft haar hand weer in de zijne. Nu heeft ze nog een beste vriend.